Nadat mijn zusje was overleden, kwam er iedere dag een goede vriend langs. Na zijn werk kwam hij dan even aan.
Mijn moeder vertelde me dit en ik kon het me niet herinneren.
– Wat deed hij dan? vroeg ik.
– Niets, antwoordde mijn moeder, hij deed verder niets. We praatten ook niet veel. Hij kwam gewoon een poosje zitten.
Dat beeld is me altijd bijgebleven. Die vriend in een stoel in de huiskamer. Hij kwam een poosje zitten. Aan de manier waarop ze keek, wist ik dat m’n moeder dat heel erg fijn heeft gevonden.

Een poosje zitten, verder deed hij niets.
Wat heeft deze vriend veel voor mijn moeder gedaan.