De licht houten kist waarin m’n tante ligt, m’n lievelingstante, staat voor ons in de aula. Daarachter de glazen deuren met mosgroene gordijnen, zo dun dat we er doorheen kunnen kijken. Allemaal zien we de gouden bladeren vallen.
Dat ze op zo’n heldere dag wordt begraven, de vrouw die ieder najaar riep “de herfst is nog nooit zo schitterend geweest!”. Een typische uitspraak van m’n tante die altijd het mooie rondom haar benoemde.

In haar laatste levensfase was ze zo verzwakt dat ze naar de hospice verhuisde om daar te sterven. Als vanzelf kwamen familie, vrienden en buren haar bezoeken en op het laatst bij haar waken. Dag en nacht. Ze was er dankbaar en verwonderd over: “Zit er weer een meissie!”.
Ons verwondert het niet; een vrouw die zoveel liefde uitstraalt, krijgt die warmte terug. Een vrouw van strenge principes en toch van grote souplesse. Ze leek nooit oud te worden omdat haar stem zong, haar ogen guitig straalden en haar handen fladderden.

Daar ligt ze dan in die eenvoudige kist. Voor altijd stil en onbeweeglijk. Zes jongemannen in zwart pak lopen in pas naar voren en stellen zich op naast de kist, hoge hoed in de hand. De hoeden gaan op en dan gebeurt er iets wat ik niet had verwacht en mijn hart doet opspringen.
Ze nemen de kist en tillen hem op hun schouders. Dat gebaar, dat mijn tante op de schouders wordt getild. Ja, dat verdient ze, zó de aula te worden uitgedragen. In stijl. Met respect. Een prachtig eerbetoon.
Voor sommigen is het niet meer dan een traditie, ouderwets misschien. Voor mij een passend gebaar, van eerbied en dankbaarheid, voor iemand die zoveel voor me heeft betekent.
Foto’s Jeremy Thomas en Daniel Kim (Unsplash)